Peek Utrecht |
Het arrest Salduz en het recht op bijstand bij politieverhoor
Download 'Het arrest Salduz en het recht op bijstand bij politieverhoor' als PDF-bestand
Het arrest Salduz en het recht op bijstand bij politieverhoormr. V.S. Huygen van Dyck-Jagersma
Op 27 november 2008 heeft het EHRM zich in de zaak Salduz tegen Turkije uitgesproken over het moment waarop recht bestaat op toegang tot een advocaat. Het onderhavige artikel vormt een reactie op artikelen van Borgers en Spronken , mede naar aanleiding van het arrest Panovits , een na Salduz gewezen arrest in een soortgelijke zaak. Tevens wordt hierbij ingegaan op drie conclusies van advocaat-generaal Knigge.
Aanwezigheid advocaat bij het verhoor?
Het EHRM staat met het arrest Salduz niet meer toe dat inbreuken op het recht op vroegtijdige access worden gerechtvaardigd op grond van ‘good cause’. Een procedure waarin een verklaring wordt gebruikt welke zonder access is afgelegd, is in beginsel in strijd met artikel 6 EVRM. Eventueel gerechtvaardigde inbreuken op grond van dwingende redenen dienen beperkt te zijn.
Spronken en Borgers zijn het niet eens over de betekenis welke aan ‘access’ en ‘assistance’ moet worden gegeven. Spronken stelt dat dit ook bijstand in de vorm van aanwezigheid van de advocaat bij het verhoor meebrengt, Borgers betwijfelt of het arrest zodanig kan worden uitgelegd. Knigge acht doorslaggevend of de verdachte voorafgaande aan het verhoor ruimte heeft gehad om een advocaat te consulteren.
Het arrest levert meerdere aanwijzingen op dat feitelijke aanwezigheid bij de verhoren wel mogelijk moet worden gemaakt. Het Hof overweegt dat de verdachte recht heeft op effectieve rechtsbijstand. Een beperking op dit recht kan niet langer worden gerechtvaardigd op basis van ‘goede gronden’, terwijl bijstand zonder lijfelijke aanwezigheid kan worden gezien als een dergelijke beperking. In het kader van onder meer het presieverbod en de equality of arms zal lijfelijke aanwezigheid in de regel noodzakelijk zijn en is voorafgaande consultatie onvoldoende. Tevens dient deze bijstand het recht op zwijgrecht te waarborgen. Het meest expliciet spreekt het Hof zich uit wanneer hij verwijst naar de aanbevelingen van het CPT dat alle verdachten “are [] entitled to have the lawyer present when making a statement to the police.” In Panovits eist het Hof dat sprake is van “legal assistance during an applicant’s interrogation”. Het voorgaande brengt mijns inziens mee dat aanwezigheid van de advocaat bij het verhoor mogelijk moet worden gemaakt.
Mogelijke nuanceringen
De specifieke eigenschappen van de casussen moeten uiteraard worden onderkend. In de eerste plaats zijn Salduz en Panovits minderjarige verdachten. Met name in Salduz wordt hier echter, anders dan Knigge stelt, slechts “finally” een beperkte overweging aan gewijd. Met betrekking tot het specifieke feit en de speciale jurisdictie overweegt het Hof dat in dergelijke situaties des te meer de hand moet worden gehouden aan EVRM-waarborgen.
Omdat geen enkel recht, hoe principieel ook, als absoluut kan worden beschouwd, is de vraag welke mogelijke situaties een uitzondering zouden kunnen rechtvaardigen. Een zwaardere verdenking vormt kennelijk niet een zodanige omstandigheid, aangezien het Hof stelt dat de onderhavige rechten dan juist toepassing dienen te vinden. Dit zou de vraag kunnen oproepen, zoals Knigge opmerkt, wat de gevolgen waren geweest wanneer de beschuldigingen en dientengevolge de strafbedreigingen minder zwaar waren geweest. Verder is de procesopstelling van de verdachte van belang wanneer hem eenmaal toegang is verleend tot een raadsman. Dit betreft echter slechts de procesopstelling nadat de verdachte is medegedeeld dat zijn zonder access afgelegde verklaring van bewijslevering zal worden uitgesloten.
Hoewel het Hof geen concrete aanwijzingen geeft welke specifieke omstandigheden een inbreuk zouden kunnen rechtvaardigen, kan in de eerste plaats wellicht worden gedacht aan spoedeisende situatie in verband met de noodzakelijke bescherming van personen of staatsveiligheid tegen acute ernstige gevaren, zoals een bom in een voetbalstadion of een ontvoering waarbij voor het leven van slachtoffers moet worden gevreesd. Als tweede voorbeeld zij genoemd een feitelijke absolute onmogelijkheid om toegang van een advocaat, lijfelijk of anderszins, mogelijk te maken. Hierbij kan worden gedacht aan het verhoren van militairen in een uitzendgebied.
Afstand van recht
Aangezien een verdachte van het recht op bijstand afstand kan doen, is de vraag wanneer een dergelijke afstand kan worden aangenomen. Borgers stelt dat dit mogelijk is wanneer een verdachte op diens zwijgrecht is gewezen en niet om bijstand heeft verzocht. Ook Knigge ziet in dergelijke omstandigheden ruimte voor het aannemen van afstand van recht. Het Hof overweegt echter dat afstand van rechten op grond van artikel 6 EVRM alleen kan worden aangenomen wanneer die afstand ondubbelzinnig is gedaan en voorzien is van minimale waarborgen. Dit impliceert dat een afstand ook daadwerkelijk moet zien op het recht op bijstand en niet op het zwijgrecht. Tevens moet sprake zijn van een informed consent : de verdachte moet weten waar hij afstand van doet.
Gevolgen voor de Nederlandse praktijk
Hoe de Nederlandse rechtspraak deze jurisprudentie in de praktijk zal toepassen moet nog blijken. Op het mijns inziens misbruikgevoelige systeem wat Knigge voorstelt zal ik hier verder niet ingaan.
De Amsterdamse voorzieningenrechter waagde het, mede in verband met de helaas verschillende interpretaties van Salduz door diverse hoogleraren, op 18 december 2008 nog niet de conclusie te trekken dat de aanwezigheid van een raadsman bij het verhoor is vereist. Ook in de tot op heden gepubliceerde uitspraken in strafzaken waarin een beroep is gedaan op Salduz is nog geen succes geboekt.
Een nauwgezette analyse van het arrest Salduz noopt ertoe dat ook in het Nederlandse strafrechtelijke systeem de deur voor de advocaat vanaf het eerste politieverhoor ruimhartiger moet worden opengezet. Wellicht dat de Hoge Raad daartoe op 14 april een aanzet zal geven.
